Voor kunsthistorici en musea is het handig wanneer een kunstenaar een zichtbare ontwikkeling doormaakt. Het liefst in een voor hen herkenbare stijl binnen het tijdsbeeld van dat moment. Het ouevre van Rebeyrolle is daarvoor te divers. In 1944 komt hij aan in Parijs en is net als de meeste kunstenaars, onder indruk van de werken van Picasso en Soutine. Maar Rebeyrolle leeft met een creatieve tweestrijd. Naast zijn fascinatie voor de abstractie voelt hij een grote verbintenis met kunstenaars uit een ver verleden. Regelmatig bezoekt hij musea en bestudeert de werken van Titiaan, Goya en Velasquez. Vooral de stillevens van de Vlaamse schilders uit de zeventiende eeuw fascineren hem. Met de komst van het impressionisme verdween de manier waarop deze kunstenaars keken naar de wereld en hun onderwerp. Rebeyrolle gelooft dat hij hun onderzoek moet voortzetten. Hiermee doorbreekt hij zijn ontwikkeling als abstract schilder en komt los te staan van de formalistische schilderscultuur. In 1963 verlaat hij gedesillusioneerd Parijs, gaat naar Bourgondie en richt zijn eigen museum op. Hij blijft abstract werk maken, maar schildert daarnaast studies naar het lichaam, maakt beelden en vele stillevens. De abstract landschappelijke schilderijen uit de jaren zestig en zeventig zitten vol woede en frustratie over de wereld om hem heen. Over deze werken schrijven filosofen als Jean Paul Satre en Michel Foucault lovende kritieken, die het grote publiek niet zullen bereiken. Het Louvre in Parijs neemt geen enkel werk van Rebeyrolle op in de collectie en zijn kans op erkenning door de kunstwereld is verdwenen. Pas na zijn dood in 2005 wordt zijn werk herontdekt en wordt Rebeyrolle nu gezien als een van de belangrijke kunstenaars van de vorige eeuw

For art historians and for museums it is convenient when an artist shows a visible development. Preferably in a recognizable style within the time frame of that moment. The ouevre of Rebeyrolle is too diverse for that. In 1944 he arrives in Paris and is, like most artists, impressed by the works of Picasso and Soutine. But Rebeyrolle lives with a creative battle. In addition to his fascination for abstraction, he feels a great connection with artists from a distant past. He regularly visits museums and studies the works of Titian, Goya and Velasquez. Especially the still lifes of Flemish painters from the seventeenth century fascinate him. With the arrival of impressionism, the way these artists looked at the world and their subject disappeared. Rebeyrolle believes that he must continue their research. In this way he breaks through his development as an abstract painter and becomes separated from the formalistic painting culture. In 1963 he leaves Paris disillusioned, moves to Burgundy and establishes his own museum. He continues to make abstract work, but also paints studies of the body, makes sculptures and many still lifes. The abstract landscape paintings from the sixties and seventies are full of anger and frustration about the world around him. Philosophers such as Jean Paul Satre and Michel Foucault write critical reviews about these works, which the general public will not reach. The Louvre in Paris does not include any work by Rebeyrolle in the collection and his chance of recognition by the art world has disappeared. Only after his death in 2005 his work is rediscovered and Rebeyrolle is now seen as one of the important artists of the last century.